Home Blogs 26 november 2021

Blog: Hoeveel uitwisselformaten heeft de Nederlandse bouwsector nodig?

Een uitwisselformaat (of andere methode van gegevens delen) kiezen heeft als doel interoperabiliteit: het vermogen van organisaties, informatiesystemen en mensen om soepel elektronisch informatie met elkaar te delen tijdens hun werkproces (zie ook het Europese interoperabiliteitsframework van de Europese Commissie). In deze blog beperkt ik me tot uitwisseling van stukjes van de “digital twin” van de fysieke leefomgeving: gebouwen, openbare ruimte, boven- en ondergrondse infrastructuur enzovoorts.

IFC, Geopackage, GML, XML, ICDD, VISI, RDF, JSON, TTL – ik mis er nog een paar – al deze standaarden bevatten uitwisselformaten waarmee bepaalde gegevens kunnen worden uitgewisseld. Met IFC, Geopackage en GML wissel je geometrie uit van objecten, 2D of 3D, waarbij je bij een object ook informatie kunt vastleggen. Dezelfde informatie kun je ook uitwisselen met linked data (RDF, JSON, TTL), documenten wissel je uit met ICDD, of ook in linked data; of als bijlage in een VISI bericht.

Je begrijpt, de mogelijkheden tot combineren zijn eindeloos. Daarom beginnen specifieke gebruikers zich af te vragen “moet er een uitwisselformaat zijn voor….”, waarbij een combinatie gemaakt wordt met de inhoud die uitgewisseld wordt. Die inhoud wordt ook weer beschreven in standaarden: CB-NL, NL-sfb, IMBOR, GWSW, ETIM, enzovoorts.

Maar…. Waarom zou je voor elke specifieke toepassing een uitwisselformaat afspreken? Kan het BIM Loket daar geen richtlijn voor geven? Ik denk van niet, een probeer hieronder duidelijk te maken waarom niet.

Uitwisselen, wat is dat eigenlijk?

De internationale norm ISO 19650 beschrijft een situatie waarin partijen, bijvoorbeeld tijdens een project, samenwerken met een “Common Data Environment”. In het ideale (BIM level 3) geval kunnen applicaties waarmee gewerkt wordt de data rechtstreeks “online” gebruiken. In de huidige praktijk werken partijen vaak nog in applicaties die niet online zijn aangesloten op de informatie in de Common Data Environment: de informatie wordt met een bestand “ingelezen” in de applicatie, waarna het werk doorgaat. In dat geval is een uitwisselformaat nodig, die de applicatie kan inlezen en begrijpen.

Mars: Utopisch uitwisselen op basis van een objecttypenbibliotheek

In de ideale (BIM level 3) wereld heeft elke organisatie een overzicht van de informatie in de vorm van een ontologie, die wordt gebruikt voor het in kaart brengen van de fysieke omgeving. In de bouwwereld beter bekend als een objecttypenbibliotheek, in linked data formaat. Via CB-NL kunnen organisaties elkaars objecttypenbibliotheek begrijpen. De informatie in de “Common Data Environment” volgt de structuur van de objecttypenbibliotheek, daarom kunnen alle applicaties de informatie vinden die zij nodig hebben. Superflexibel, supercompleet, kat in het bakkie.

Als met linked data wordt uitgewisseld, dan zijn uitwisselformaat en objecttypenbibliotheek nauw verbonden. De applicatie kan in het uitgewisselde bestand de informatie zoeken die deze nodig heeft, en de rest negeren. Alleen … je wilt natuurlijk niet elke keer alle informatie tegelijk uitwisselen: je wilt preciezer afspreken welke informatie je uitwisselt. Ook hiervoor heeft linked data een oplossing. Klaar, toch? Helaas: de bestaande objecttypenbibliotheken zijn nog niet volledig genoeg, en de applicaties niet ingericht op werken met linked data.

De aarde: succesvolle uitwisseling in het hier en nu

Om stappen te zetten in interoperabiliteit moeten organisaties beseffen dat zij onderdeel zijn van een keten van partijen die informatie uitwisselen, met hun eigen systemen en hun eigen informatiebehoeften. Van hieruit kunnen zij de urgentie voelen om te uniformeren, samen te werken en ontwikkeling en beheer te financieren en apps in te kopen die één hele specifieke uitwisseling ondersteunen. Ik noem dat een “toepassingsprofiel”. Mijn eerste advies is daarom politiek en strategisch van aard:

Breng een groep stakeholders bijeen die de noodzaak voelen te veranderen en een of meerdere specifieke toepassingsprofielen te sponsoren. Er is politiek momentum nodig; support die de individuele organisaties overstijgt.

Voor het bereiken interoperabiliteit is een standaard alleen niet genoeg. Er zijn specifieke afspraken nodig tussen organisaties die uniformeren op het gebied van werkprocessen, inhoud én vorm. Dan pas kunnen softwareleveranciers diensten aanbieden bij het gewenste toepassingsprofiel en wordt interoperabiliteit bereikt. Mijn tactische advies om een toepassingsproefiel te kunnen uitwerken luidt dan ook:

Richt een samenwerkingsverband op tussen gebruikers en softwareleveranciers die een toepassingsprofiel samenstellen met afspraken over het werkproces, inhoud en vorm waarbij het werkproces direct wordt ondersteund in applicaties.

Het geheel wordt vervolgens operationeel, als individuele organisaties bereid zijn hun bestaande applicaties en informatie aan te passen aan het toepassingsprofiel. Daarom roep ik de koplopers in Nederland op:

Werk niet te hard vooruit met je eigen objecttypenbibliotheek en informatieleveringsspecificaties. Focus op de gemene deler, en neem alle partijen mee.

Heb jij een specifieke toepassing waarvan je denkt: hierover moeten we nationaal afspraken maken? Laat het me weten – elisabeth.kloren@bimloket.nl.


Elisabeth Klören
Productmanager COINS en VISI